ETEN en nog wat, in Indonesië en vooral op Bali Eten is voor
iedereen belangrijk, en wat je eet heeft vaak te maken met waar je woont en wat
daar goed groeit. Ook de godsdienst bepaalt soms wat je eet. Islamieten mogen
bijvoorbeeld geen varkensvlees eten, terwijl Hindoes weer haast nooit rundvlees
eten. Geitenvlees kennen Balinezen, die meestal Hindoe zijn, vooral als sateh,
maar die sateh kambing wordt meestal gemaakt door mensen van het buureiland
Madoera, voornamelijk Moslims. Om gegeten te hebben moet je in Indonesië
rijst in je buik hebben. Anders was het een soort snack, een lekker hapje, maar
geen echte maaltijd. Als het even kan eet je twee maaltijden per dag, 's ochtends
als de zon op is en 's middags. Om de dag te beginnen drink je teh, thee,
of kopi, koffie, met meestal iets zoets, wat fruit of een cake-je of koekje
overgebleven van een tempeloffer, of boeboer, pap, die meestal niet zoet
is. Maar voordat je de echte werkdag begint is een rijstmaaltijd een goed idee.
Midden op de dag is het daar te warm voor, dus dan snoep je misschien weer wat.
De dag is verdeeld naar de stand van de zon. Pagi is het als de zon nog
niet hoog staat, siang is als de zon volop schijnt en soreh als
de zon niet meer zo fel is (maar het is dan wel nog heel heet en prima tijd voor
een dutje!). Als je thuis komt ga je weer mandiën, je lekker natplenzen
met een kokosdop of plastic bakje met water, tot je koel en schoon bent, of je
gaat, nog lekkerder, en vooral heel gezellig, met je vrindjes of vriendinnen in
de sungai baden, het riviertje of beekje vlakbij. Malam is
avond maar ook nacht. Voor midden in de nacht gebruik je malam-malam. Pagi
begint al om zes uur, als de hanen de dag allang aangekondigd hebben, toen het
nog pagi-pagi was, schemerochtend. Na de hanen hoor je hoe het erf wordt
geveegd met sapoe lidi's, bezems van de nerven van palmbladeren. Siang,
als je al gebaad hebt, en niet eerder !!, eet je. Dan ga je naar je werk. Op het
land moet je iets op je hoofd hebben, want de zon schijnt elke dag heel fel, of
het regent juist dat het plenst. Heel soms maar is het alleen bewolkt of is er
grimis, motregen. Meestal zetten boeren en vissers daarom een bamboe of
rieten payung op, een hoed als paraplu/parasol, om geen zonnesteek te krijgen
of juist drijfnat te worden. Want tijdens het regenseizoen, de natte moeson,
komt het water echt met bakken naar beneden. Dan zijn er ook vaak banjir,
overstromingen, die soms bruggen en zelfs huizen wegspoelen. Toch is iedereen
blij als het droge seizoen voorbij is, want als het te lang niet regent wordt
het een musim lapar, een hogerseizoen, omdat je dan geen eten kunt verbouwen.
Soreh, na een lange hete dag, krijg je je tweede maaltijd, weer pas
nà het baden, wat je in zo'n heet land echt twee keer per dag doet, anders
plak je aan jezelf vast. Bij de maaltijd hoort groente, bijvoorbeeld paku,
een lekkernij, een soort varensoort uit de bergen, of kangkung, familie
van onze spinazie, die gewoon langs de weg groeit, of buncis (even uitspreken...ja:
[boentjies] = ?), 'kouseband', zo'n eindeloos lange spercieboon. En vaak een paar
ikan tri, piepkleine gedroogde visjes of een beetje gebakken vis of wat
kleine stukjes kip, maar bij orang kecil (letterlijk: kleine mensen), de
gewone mensen zonder veel geld, haast nooit vlees behalve als er een feest is.
Ook ei is iets voor af en toe. Wel eten ze vaak tahu en tempeh,
gemaakt van soyabonen, eiwitrijk en gezond, en zoals "mijn" Mèmèk
en Wayan het maken, gebakken en met lekkere kruiden, mis ik het vlees echt niet.
Heel goed om de poriën van je huid te openen (belangrijk in een heet klimaat)
en vol vitamine C is cabai [tjabee], hete pepertjes, en ook al rijk aan
vitamine is de bawang putih, witte ui, dat wil zeggen knoflook, en kleine
bawang merah, rode uitjes, sjalotjes. De pepertjes, ui en wortelstokken en zaadjes
worden in Bali op een dikke schijf van een boomstam kleingehakt en fijngewreven.
Daarna worden ze in kokosolie gebakken om er lekkere, pittig hete sausjes mee
te maken. Die kruiden maken het eten echt Balinees. Wat mensen uit Sumatra en
Java bijvoorbeeld niet zo lekker vinden, want die gebruiken weer net andere kruiden.
En zij houden vaak van zoete ketjap, sojasaus, en saos katjang,
pindasaus, wat ze in Bali alleen bij gado-gado eten. Ook de manier
van koken is niet overal hetzelfde. Op het eiland Sumba, hadden ze waar wij logeerden
in de keuken gewoon wat stenen op de grond staan om de pannen op te zetten, met
een houtvuurtje ertussenin. In Yogyakarta, een grote stad middenin Java, vind
je overal aan de kant van de straatjes en steegjes in het centrum anglo kleine
aardewerk houtskoolbranders. Als er geld voor is koken de mensen overal in Indonesië
ook graag op een kompor, een oliestelletje, of op een gasstel met elpiji (LPG
op z'n engels uitgesproken maar indonesisch geschreven), aardgas. Bij mijn
familie in Blahpane op Bali moet er, voor je het water kunt koken voor de koffie
en thee en voor het stomen van de rijst, 's ochtends eerst een vuurtje gemaakt
worden met dorre blaren en takken. Er zijn in mèmèk's keuken drie
kookplekken op een verhoging tegen de muur aan gemetseld. In het midden zijn de
vlammen het hoogst, want daar zit het gat waar je de takken in stopt. Opzij daarvan
is het gat voor middelwarm vuur, en aan de andere kant is er geen open gat maar
een plek met vuur eronder dat de stenen heet maakt. Daar kun je dingen laten sudderen
of de ketel water warmhouden. Je laat het vuur de hele dag (zachtjes) branden,
en er is steeds een thermos met heet water voor als iemand een kopje thee of koffie
wil. En als iemand honger heeft staat er altijd wel iets klaar in de keuken. Omdat
het meestal erg warm is hindert het niet als het eten koud is geworden, en je
eet toch nooit allemaal samen rond een tafel. Je gaat gewoon ergens zitten met
je bord of een kokosnootkom op schoot, vaak op de grond of op een krukje.
Als je te moe bent of teveel haast hebt om zelf te koken is er altijd wel een
stalletje in de buurt waar je voor weinig geld een zoet hapje kunt kopen, of bubur
[boeboer], tot pap gekookte rijst (hartig, niet zoete pap), of nasi bungkus, afhaaleten.
Je krijgt de rijstmaaltijd mee in een stuk pisangblad, het blad van de bananenboom,
dichtgestoken met een stukje nerf van een kokosblad. Soms daarna in een stuk bruin
papier verpakt. Ook 's avonds laat eet je geen echte maaltijd, maar alleen een
hapje, vaak ook van de warung, het stalletje om de hoek. Op Java zijn er behalve
de stalletjes veel kaki lima, 'vijf-voeters'. Een man die 2 voeten heeft, met
een wagentje met 2 wielen, en 1 steun-poot van hout. Elk wagentje heeft z'n eigen
specialiteit, zoals soto, een soort maaltijdsoep met kip en rijst, of sateh, stukjes
geroosterd vlees op bamboestokjes. Of warme drankjes met kruiden, of juist es,
schaafijs met zoete stroop of fruit. Er is zelfs es durian, dat is een soort stink-vrucht
die veel mensen hééél lekker vinden. Hebben ze ook op de
Pasar Malam Besar in juni in Den Haag. Niet overal in Indonesië groeien
dezelfde planten en bomen. Indonesië is enorm groot en er je hebt eilanden
waar het zo lang droog is dat ze het laatste stukje van het droge seizoen musim
lapar noemen, de hongertijd. Op Nusa Penida, een zustereiland van Bali, hebben
ze voor zo'n droge tijd speciaal een droogseizoen babydouche uitgevonden, zodat
je met het baden van je baby niet teveel water kwijt bent. Op zulke droge eilanden
groeit de rijst ook niet goed. Op sommige eilanden worden veel knollen gegeten,
zoals ubi, zoete aardappel, en singkong, cassave, waar veel minder water voor
nodig is. Bijna overal in Indonesië zijn er kokospalmen, bananenbomen
en bamboe, en daar wordt heel veel mee gedaan. Als je dorst hebt drink je thee,
koffie of air putih, dat betekent eigenlijk wit water, maar er wordt bedoeld dat
het water gekookt is en daarom als drinkwater geschikt. Als je water niet kookt
kun je er ziek van worden. Je kunt ook overal aqua kopen, bronwater uit een fles
of bekertje. En heel soms drinken mensen palmwijn of rijstwijn- zoiets als bier
of wijn bij ons, maar met een laag gehalte alcohol. Als de wijn gestookt is wordt
het arak, een doort brandewijn, en dat is wel echt sterke drank. Maar als
je echt iets fris wilt tegen de dorst kun je ook altijd in een klapperboom klimmen,
dat is een kokospalm, en in de klapper, de kokosnoot, een gat maken waaruit je
het sap kunt gieten. Daarna kun je de klapper open maken en het jonge vruchtvlees
eten- met een 'lepeltje' van bananenblad. En daarna kun je de dop gebruiken als
rijstkom of, met een steel van bamboe of hout, als waterschep. Bij oudere klappernoten
wordt het witte vruchtvlees geraspt en bij het koken gebruikt, of het wordt gedroogd
en dan gebruikt om bakolie van te maken. Klapperolie helpt ook bij kleine wondjes,
bijvoorbeeld van mieren. De kokospalmen worden niet alleen afgetapt voor palmwijn,
er wordt ook suiker gemaakt met het afgetapte sap. En die blokken suiker kun je
smelten om er een heerlijk sausje mee te maken bijvoorbeeld voor over ketan, kleefrijst
met geraspte klapper. Als ze je op Bali echt willen tracteren maken ze die lekkernij
met inten, zwarte ketan. Goela djawa, zoals Indische mensen hier de palmsuiker
meestal noemen, zit ook binnenin ondé-ondé, van rijstebloem gemaakte
en in geraspte klapper gerolde balletjes. En de kokosbladeren zijn heel handig
om hoeden of een soort scherm mee te vlechten. Op Bali gebruiken ze altijd jong
kokosblad om offerschaaltjes en tempelversieringen mee te maken. De nerf van het
blad, de lidi, wordt gebruikt als een soort speld om de blaadjes mee aan elkaar
vast te prikken. En de nerf van de oudere bladeren wordt gebruikt voor sapoe lidi,
bezems. Ook met de pisang, de banaan, maken ze in heel Indonesië iets
lekkers. Als je een banaan in beslag doopt en frituurt heet dat pisang goreng,
en je kunt in Nederland op elke Pasar Malam proeven hoe lekker dat is. Maar ook
bij de banaan gaat het in Indonesië niet alleen om de vrucht. De stam, heel
fijngesneden en gekookt, wordt aan de varkens gevoerd en als er opeens zo'n echte
tropische plensbui valt pluk je een groot bananenblad van de dichtstbijzijnde
boom en houd het als paraplu boven je hoofd. Een bananenboom lijkt een beetje
op een preiplant- hij heeft geen harde houten stam maar de bladeren zitten onderaan
stijf over elkaar heen. Een stuk van zo'n stam wordt ook gebruikt bij wajangvoorstellingen,
namelijk om de schaduwpoppen waar niet mee gespeeld wordt in te prikken. Dan kan
iedereen ook goed zien hoe mooi de poppen beschilderd zijn. Bij bamboe denken
wij niet meteen aan eten maar vooral aan materiaal om bijvoorbeeld meubels mee
te maken. In Azië, het werelddeel waar Indonesië bij hoort, gebruiken
ze het voor nog veel meer- manden en dozen en stelen van lepels, en zelfs steigers
bij hoge gebouwen. Maar ze eten het in Indonesië ook, want als bamboe jong
en vers is is het heel lekker. Gelukkig maar dat de bomen in de tropen zo
snel groeien en dat je het eten in Indonesië van de bomen kunt plukken- zo
heb je ook zonder geld toch veel lekkers en handigs. |